Onderzoek Eigen Huis: ventilatie en geluid niet op orde

Vereniging Eigen Huis heeft bij 10 woningen gebouwd onder kwaliteitsborging onderzoek laten uitvoeren naar de ventilatie, installatiegeluid en luchtdichtheid. Het door BBA Binnenmilieu uitgevoerde onderzoek is op 9 juli aan minister Ollongren toegezonden. In de begeleidende brief, die in afschrift aan de fractievoorzitters in de Eerste Kamer is toegezonden, herhaalt Eigen Huis dat wat hen betreft de Wkb pas kan worden ingevoerd wanneer de pilots positieve resultaten laten zien. Ook mist Eigen Huis in de brief van Ollongren de toezegging dat de resultaten van pilots aanleiding kunnen geven tot aanpassing van het stelsel. Eigen Huis roept de minister nogmaals op om de aanscherping van de aansprakelijkheid direct in te voeren.

Het onderzoek van BBA Binnenmilieu is uitgevoerd bij 3 onder kwaliteitsborging gebouwde projecten in de gemeente Delft. Bij 10 woningen, opgeleverd in 2016 en 2017, is onderzocht hoe het staat met de ventilatiecapaciteit en het installatiegeluid. Bij 3 woningen is de luchtdichtheid onderzocht. De resultaten laten zien dat een deel van de woningen niet voldoet aan de wettelijke eisen:

  • De totale ventilatiecapaciteit bleek bij 3 van de 10 woningen onvoldoende. Bij de meeste woningen bleek het ventilatiesysteem onvoldoende ingeregeld.
  • Het installatiegeluid was bij 7 van de 10 woningen te hoog. Met name bij woningen met warmtepompen bleek dit een probleem
  • De luchtdichtheid voldeed niet bij 1 op de 3 woningen

Het onderzoek laat ook zien dat ventilatie en geluid nadrukkelijk samenhangen: de onderzoekers merken op dat bij ten minste één van de woningen de ventilatie door de bewoners is aangepast in verband met een te hoog installatiegeluid. De bewoners van de overige woningen geven aan de ventilatie niet (bewust) aangepast te hebben. De onderzoekers merken op dit punt op dat niet is gecontroleerd of de oorspronkelijke instelling bij oplevering nog aanwezig is en niet door bijvoorbeeld schoonmaken van de ventielen is gewijzigd.

BBA Binnenmilieu concludeert dat kwaliteitsborging onvoldoende garantie lijkt te bieden dat het binnenmilieu aan de voorschriften zal voldoen. De onderzoekers voegen daar aan toe dat de prestaties op het gebied van ventilatie, installatiegeluid en energie ook in traditionele bouwprojecten vaak onvoldoende zijn. Als we de resultaten – bij gebrek aan recent vergelijkingsmateriaal met het onderzoek van Eigen Huis – vergelijken met een onderzoek van de VROM-Inspectie uit 2007 of een onderzoek van het RIVM uit 2011 dan blijkt dat inderdaad het geval. Kanttekening daarbij is wel dat ten tijde van het onderzoek van de VROM-Inspectie er geen sprake was van eisen aan installatiegeluid, gebalanceerde ventilatie in de kinderschoenen stond en warmtepompen nog niet werden toegepast in de woningbouw.

Uit een – nog te publiceren – evaluatie van in de afgelopen jaren uitgevoerde proefprojecten blijkt dat kwaliteitsborgers vooral fouten uit bouwplannen halen die te maken hebben met ventilatie, installatiegeluid en geluidisolatie. Het onderzoek van Eigen Huis laat zien dat extra aandacht voor deze aspecten absoluut noodzakelijk is.

De brief en de onderzoeken zijn te lezen via onderstaande links:

Na de zomer bestuurlijk overleg Wkb

In reactie op de brief van de VNG van 29 juni schrijft minister Ollongren dat ze het voorstel van de VNG voor bestuurlijk overleg graag aanneemt. In de brief benadrukt de minister verder dat haar eerdere brief aan de Eerste Kamer geenszins bedoeld was om te suggereren dat er sprake was van een akkoord met de VNG. De minister stelt dat er van een akkoord tussen de VNG en BZK pas sprake is nadat deze afspraken wederzijds zijn bekrachtigd in een bestuurlijk akkoord.

Na de zomer praten minister en VNG verder en zal er naar alle waarschijnlijkheid – op verzoek van de VNG – ook nog een schriftelijk overleg met de Eerste Kamer volgen. De komende tijd besteden partijen verder aan het voorbereiden van de te maken afspraken.

Klik hier om de brief aan de VNG te lezen.

VNG en minister praten verder over Wkb

In reactie op de brief van 29 juni aan de Eerste Kamer schrijft de VNG aan minister Ollongren verrast te zijn door de inhoudelijke passages in die brief. De VNG geeft aan begrip te hebben voor het feit dat de Eerste Kamer geïnformeerd moest worden maar is niet blij met de suggestie dat ook over de inhoud al afspraken zijn gemaakt.

Het bestuursakkoord, dat de basis moet gaan vormen voor de verdere uitwerking van de wet, moet er wat de VNG betreft echter wel snel komen. De VNG stelt voor om hierover op korte termijn met de minister door te praten. Tevens wordt in de brief voorgesteld een gezamenlijke begeleider in te stellen om zo het proces te versnellen en het draagvlak te verbreden.

De volledige brief is via deze link te lezen via deze link te lezen. De reactie van minister Ollongren op de brief is te lezen via deze link.

Brief VNG, Eigen Huis en Bouwend Nederland aan BZK

Bron: CobouwUpdate: Inmiddels heeft de VNG de brief gepubliceerd

Op de website van Cobouw en LinkedIn wordt bericht over een brief die Vereniging Eigen Huis, Bouwend Nederland en de Vereniging Nederlandse Gemeenten eind april aan minister Ollongren hebben gestuurd. De drie partijen geven aan voort te willen bouwen op de positieve aandacht voor kwaliteit in de bouw die het traject van totstandkoming van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft opgeleverd. Ze geven daarbij 3 punten aan in relatie tot de invoering van de wet:

  1. Snelle invoering van de gewijzigde regels voor aansprakelijkheid van de bouwer jegens consumenten is wenselijk
  2. Voer het stelsel alleen als de kwaliteit aantoonbaar beter wordt tegen aanvaardbare kosten
  3. De rol van het bevoegd gezag moet helder zijn alvorens de wet kan worden ingevoerd

Cobouw citeert uit de toelichting die de drie partijen op deze drie punten geven. Op LinkedIn geeft Pieter Plass een analyse van de brief waarin hij onder meer aangeeft het een gemiste kans te vinden dat partijen niet met concrete oplossingen komen. De brief zelf is niet openbaar gemaakt.

Omgevingsweb publiceerde gisteren een open brief van Scholten, De Ridder, Thomsen en Nijsse aan de minister. In die brief wordt ook gepleit voor snelle invoering van de gewijzigde regels voor aansprakelijkheid. Het beoogde stelsel wordt echter als te complex beoordeeld en er wordt gepleit voor een grotere rol van de overheid.

“Twijfel over Wet kwaliteitsborging voor het bouwen”

Dit artikel is geschreven door Pieter Plass en overgenomen van LinkedIn

De Eerste Kamer heeft twijfels over de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Het is onduidelijk of de beoogde wet ook echt een verbetering is, een verstandige keuze.

Die twijfel is niet weg te nemen met praten, meer uitleg over specifieke componenten en hoe die in samenhang moeten werken.

De praten route is een beetje zoals bij een zelfrijdende auto onder de motorkap kijken, eens goed tegen de banden trappen, er nog een keer omheen lopen, het over het ding hebben, praten, praten, om te ‘bepalen’ of het wel verstandig is hem de weg op te laten. Het vertrouwen of dat voertuig veilig is komt enkel van proberen, testen, eerst in een omgeving waar je geen brokken kunt maken en pas dan heel voorzichtig, weloverwogen, is het verstandig hem in het verkeer los te laten. Het is een ontwikkelproces waar vertrouwen uit ontstaat. Het proces op die manier doorlopen geeft feitelijke informatie voor keuzes.

Dat hebben we met de Wkb niet.

Uitgevoerde pilots, met name binnen de seriematige woningbouw, zijn er op gericht (geweest) initiatieven te belichten vanuit de reeds gemaakte keuze voor privatisering van gemeentelijk toezicht.

De vraag of private partijen toezicht kunnen houden is geen punt. Dat kunnen die partijen prima. Waar het om gaat is hoe privaat en publiek in elkaar haken. Effectief toezicht kan niet zonder handhaving en andersom ook niet. Op het raakvlak zit vooralsnog de uitdaging.

Bij uit te voeren pilots is vaker aan de orde gesteld dat het proefdraaien op landelijke schaal als opdracht van het Rijk naar gemeenten in samenwerking met BWT zou moeten plaatsvinden. Dit heeft geen invulling gekregen. Enkel door pilots op een dergelijke wijze uit te voeren kan de huidige werkwijze worden vergeleken met private kwaliteitsborging. Wat doet de gemeente, wat doet de private kwaliteitsborger, hoe gaat dat in zijn werk, waar hebben we elkaar nodig als het om handhaving gaat, hoe zit het met procedures enz.

Naar mijn mening is dit een vereiste voor de afweging of een stelselwijziging verantwoord is, het testen en het voortschrijdend ontwikkelen. Er was/is slechts één steekhoudend argument dit niet te doen. Een onderdeel van het wetsvoorstel is het prikkelen van de aannemer met de verzwaarde aansprakelijkheid. Deze aanpassing moet er voor zorgen dat de aannemer zelf meer met kwaliteitsborging gaat doen. Dat heeft een hoge verwachtingswaarde. Het is vaker als cruciaal onderdeel in de evenwichtigheid van het wetsvoorstel naar voren gebracht. Of dat met die prikkel in de praktijk zo gaat uitpakken kun je uiteraard niet met proefdraaien testen. Het zou is de volgorde der dingen dan ook logisch zijn (geweest) juist dit aspect te knippen van het toezichtdeel door de wijziging van de aansprakelijkheid zo snel mogelijk door te voeren. Hiermee zou duidelijk worden of deze aanpassing er inderdaad voor gaat zorgen dat aannemers zelf de kwaliteitsborging op orde gaan brengen. Nu is het een aanname.

Het wegnemen van twijfel kan slechts op één manier: alsnog de route bewandelen die de vereiste informatie oplevert voor een feitelijke weging.

De op een na beste manier is een fasering beloven’ met de nodige veiligheidspalletjes, momenten van bezinning enz. Een dergelijke route is de praktijktest nadat de wettelijke keuze is gemaakt en een ommezwaai, in praktische zin, nagenoeg onomkeerbaar is geworden. Gaat de knop om dan heeft dat verstrekkende consequenties voor de BWT-organisatie. Dat maak je niet, bij nader inzien, maar weer even ongedaan.

Op 30 april jl. heeft onze minister aangegeven vanwege te voeren overleg met betrokken partijen nog enkele weken extra tijd nodig te hebben alvorens er een brief komt over hoe nu verder.

“Doorbreek impasse kwaliteitsborging nu! “

Door Peter van der Mars, beleidssecretaris Metaalunie
Beleidsvisie, nr. 4-2017

Vlak voor het politieke zomerreces is er een impasse ontstaan in het wetgevingstraject rond kwaliteitsborging in de bouw. Voor sommigen volkomen onverwacht en voor anderen precies zoals zij gedacht hadden, wenst de Eerste Kamer de in de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerp aangepast te zien. Hierbij werd vooral gefocust op twee aspecten: de rol van het bevoegd gezag in het nieuwe stelsel en de aansprakelijkheid van de aan- nemer in geval van een zakelijke/professionele opdrachtgever.

Er valt wat te zeggen voor de opmerkingen van de aannemers vertolkt door de CDA-fractie in de Eerste Kamer. Opdrachtgevers wiens businessmodel is het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de verhuur of verkoop van gebouwen of het exploiteren van een GWW-werk, moeten worden geacht in staat te zijn om zelf aansprakelijk te zijn voor het ontwerp dat men wenst te laten bouwen. En in dit kader ook te bepalen of dat bouwplan gaat leiden tot een bouwwerk dat voldoet aan de wettelijke eisen zoals het Bouwbesluit.

Belangrijk hier is het natuurlijk wel om het Metaalunielid dat een nieuwe productiehal laat bouwen niet tot die categorie opdrachtgevers te rekenen. Het definiëren van de grens zal best lastig zijn maar is wel noodzakelijk. We kunnen hierin niet volstaan met een beschrijving als zakelijke opdrachtgevers versus niet-zakelijke opdrachtgevers. Met betrekking tot de positie van het bevoegd gezag is het van belang dat hierin snel duidelijkheid moet worden gecreëerd. Bijna alle partijen staan nu in de wachtstand. Gemeenten zijn hun afdelingen Bouw en woningtoezicht (BWT) aan het afbouwen (geweest) en de nieuwe kwaliteitsborging organisaties hebben nog lang geen bezetting aan borgers opgebouwd om de taken van BWT over te nemen. Logisch omdat er geen duidelijkheid is of de wet alsnog aangenomen wordt of niet en ook niet hoe lang of dit nog gaat duren.

Deze impasse komt juist op een tijdstip dat de bouw sterk aantrekt en er vele bouwprojecten op stapel staan. Er kunnen grote problemen verwacht worden bij het behandelen van de vergunningsaanvragen om- dat de capaciteit er niet meer is om die aanvragen te beoordelen. Hier past dus maar een credo: neem een besluit! Wees duidelijk en wacht daar niet nog maanden mee!

Standpunten Wkb in de aanloop naar het debat Eerste Kamer

Met het debat in de Eerste Kamer op komst (4 juli 2017, vanaf 15.25) hebben diverse partijen hun standpunten inmiddels schriftelijk aan de Eerste Kamer aangeboden. Hierna is een aantal punten uit de brieven van VNG, G4, AFNL en Aedes opgenomen. De brieven zelf zijn via de links in de tekst te lezen.

De VNG geeft aan dat ze blij zijn dat de wet op punten is aangepast, maar vragen nog wel om enkele broodnodige aanpassingen en een goed implementatietraject. De VNG geeft onder meer de volgende randvoorwaarden aan voor een goed stelsel:
– dat de rol van gemeenten helderder wordt vormgegeven;
– dat het oplevermoment nader wordt ingevuld;
– om 1 januari 2019 tot uitgangspunt te nemen voor de inwerkingtreding, en;
– dat een half jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding in een bestuurlijk overleg tussen Rijk en gemeenten beoordeeld wordt of inwerkingtreding realistisch en verantwoord is.

De Aannemersfederatie Nederland roept de Eerste Kamer in een brief op om snel te besluiten over de Wkb zodat deze zo spoedig mogelijk in kan gaan. In de brief geeft AFNL aan nog vragen te hebben naar aanleiding van de AMvB Kwaliteitsborging en geven ze hun visie hoe de verschillende voorschriften gelezen zouden moeten worden. Daarbij zou AFNL graag zie dat Gevolgklasse 1 breder wordt, door ook een deel van wat nu vergunning dan wel Bouwbesluittoetsvrij wordt hieronder te laten vallen. Ook wil AFNL verbouw van bouwwerken gevolgklasse 2/3 meenemen onder Gevolgklasse 1. Verder vraagt AFNL nadere uitleg over onder meer de onafhankelijkheid, de informatieplicht van de kwaliteitsborger en de waarschuwingsplicht van de aannemer.

Aedes geeft in haar brief aan in het huidige stelsel omvoldoende prikkels te zien voor bouwpartijen om daadwerkelijk kwaliteit te leveren. Doorslaggevende reden voor Aedes om het wetsvoorstel te steunen, is dat er voor de markt eindelijk echte prikkels worden geïntroduceerd om hun verantwoordelijkheid te nemen. Aedes concludeert dat in dit nieuwe stelsel de verantwoordelijkheid van bouwpartijen voor de gerealiseerde kwaliteit van het bouwwerk centraal, gaan onafhankelijke private partijen de kwaliteit borgen tijdens het bouwen, houdt de overheid toezicht op het functioneren van het stelsel en wordt de positie van de bouwconsument versterkt.

Namens de G4 geeft de gemeente Den Haag in een brief aan van mening te zijn dat de amendementen die ter verbetering van de positie van gemeenten in de Wkb zijn opgenomen onvoldoende zijn uitgewerkt. In de brief doet de G4 daarom enkele voorstellen voor aanpassing van het Besluit kwaliteitsborging. De aspecten die beter geregeld zouden moeten worden zijn de relatie is tussen de risicobeoordeling en de rol van de gemeente en  het dossier gereedmelding en de rol van de gemeente. De G4 biedt aan om dit gezamenlijk op te pakken.

AFNL roept Eerste Kamer op de Wkb snel aan te nemen

De Aannemersfederatie Nederland roept de Eerste Kamer in een brief op om snel te besluiten over de Wkb zodat deze zo spoedig mogelijk in kan gaan. In de brief geeft AFNL aan nog vragen te hebben naar aanleiding van de AMvB Kwaliteitsborging en geven ze hun visie hoe de verschillende voorschriften gelezen zouden moeten worden. Daarbij zou AFNL graag zie dat Gevolgklasse 1 breder wordt, door ook een deel van wat nu vergunning dan wel Bouwbesluittoetsvrij wordt hieronder te laten vallen. Ook wil AFNL verbouw van bouwwerken gevolgklasse 2/3 meenemen onder Gevolgklasse 1. Verder vraagt AFNL nadere uitleg over onder meer de onafhankelijkheid, de informatieplicht van de kwaliteitsborger en de waarschuwingsplicht van de aannemer.

De brief van AFNL is via deze link te lezen. De Eerste Kamer zal de AMvB Kwaliteitsborging bespreken tijdens het debat met minister Plasterk over de Wkb op 4 juli 2017.

Met betrekking tot verbouw van bouwwerken gevolgklasse 2/3 geldt dat deze niet onder gevolgklasse 1 vallen aangezien deze nu al grotendeels vergunningvrij zijn. Indien de constructie en de indeling in brandcompartimenten niet wijzigt is op grond van artikel 3, onderdeel 8 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig.

‘Neem wetsvoorstel #Kwaliteitsborging Bouw in behandeling’

Die oproep doen ActiZ, GGZ Nederland, NFU, NVZ en VGN, verenigd in de Brancheorganisaties Zorg (BoZ) en Federatie Opvang, RIBW Alliantie, PO-raad, VO-raad en Aedes in een brief aan de Eerste Kamer. De brancheorganisaties in onderwijs, zorg en maatschappelijke opvang vragen de Eerste Kamer het wetsvoorstel Kwaliteitsborging niet controversieel te verklaren en zo spoedig mogelijk verder in behandeling te nemen. De maatschappelijk vastgoedeigenaren geven daarbij aan:

  1. Het wetsvoorstel is een weerslag van een jarenlang proces, waarbij belangen zorgvuldig zijn gewogen.
  2. Aanpassingen ten gunste van een enkele partij en ten nadele van andere partijen zullen het huidige, brede maatschappelijke draagvlak voor het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen niet versterken.
  3. In de Tweede Kamer was een ruime politieke meerderheid voor het wetsvoorstel en ook in de nieuwe Tweede Kamer is een ruime meerderheid.
  4. Partijen bereiden zich al enige tijd voor op de implementatie van dit wetsvoorstel en hebben behoefte aan duidelijkheid over de toekomst van kwaliteitsborging in de bouwsector.

De brief is een reactie op de berichtgeving in Cobouw dat Bouwend Nederland probeert de senatoren in de Eerste Kamer er van te overtuigen dat er geen draagvlak voor de wet is en de behandeling moet worden aangehouden. Eerder reageerde het Rijksvastgoedbedrijf en Rijkswaterstaat – bij monde van de woordvoerder van minister Plasterk al – dat zijn in ieder wel van mening zijn dat de wet snel moet worden behandeld.

De Eerste Kamer beslist dinsdag 4 april over de het wel of controversieel verklaren van lopende dossiers

Reactie IBR op amendementen 15 en 17 #Wkb

Dit artikel is op 20-02-2017 geplaatst in Actualiteiten Bouwrecht en met toestemming van de auteur integraal overgenomen. Een eerdere bijdrage over dit onderwerp is hier te lezen.
Post Scriptum (2) bij tweede termijn Kamerbehandeling wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen

Op donderdag 16 februari 2017 vond de tweede termijn plaats van de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen (Kamerstukken II 2015/16, 34 453, nr. 2). In deze tweede termijn kwam een drietal amendementen aan de orde waarmee wijzigingen in Titel 7.12 van het BW werden voorgesteld. De amendementen 15 en 17 ( ter vervanging van de ingetrokken amendementen 11 en 14) , ingediend door het Kamerlid De Vries (PvdA), lijken kansrijker dan amendement nr. 18, ingediend door Kamerlid Ronnes (CDA), nu de minister het oordeel over de eerste twee amendementen aan de Kamer laat en het laatste amendement ontraadt. De onderstaande bespreking van het privaatrechtelijke amendementen door mr. H.P.C.W. Strang beperkt zich daarom tot de amendementen 15 en 17.

Daarbij is vooral aandacht voor de tekst van de in de amendementen voorgestelde bepalingen. De toelichting van met name amendement 15 bevat passages die veel juridische vragen oproepen die niet binnen het bestek van dit commentaar besproken kunnen worden. Ook voert het voor dit redactionele commentaar te ver om (uitgebreid) in te gaan op de wenselijkheid van de met de amendementen (beoogde) veranderingen.
 
Amendement nr. 15
Amendement 15 stelt voor een lid 2 toe te voegen aan art. 7:754 BW (waarschuwingsplicht):
2. Bij aanneming van een bouwwerk geschiedt een waarschuwing als bedoeld in lid 1 schriftelijk en ondubbelzinnig en wijst de aannemer de opdrachtgever tijdig op de mogelijke gevolgen voor de deugdelijke nakoming van de overeenkomst. Van dit lid kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken, voor zover de opdrachtgever een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
 
Een eerste belangrijke constatering is dat in de huidige tekst van art. 7:754 BW (in het amendement lid 1) geen veranderingen worden aangebracht. Dit betekent dat de maatstaf aan de hand waarvan bepaald wordt of er gewaarschuwd had moeten worden (het kennen of redelijkerwijs behoren te kennen van onjuistheden in de opdracht) hetzelfde blijft. In zoverre is er dus geen sprake van een aanscherping van de waarschuwingsplicht.
 
Het amendement bevat wel een aanscherping wat betreft de wijze waarop de aannemer dient te waarschuwen. Dit dient schriftelijk en ondubbelzinnig te gebeuren. Deze aanscherping kan verdedigbaar zijn. Denkbaar is immers dat een waarschuwing meer effect zal sorteren wanneer die (in expliciete bewoordingen) op schrift wordt gesteld en daardoor nog eens nagelezen kan worden. 
 
De onderbouwing van de schriftelijkheidseis en ondubbelzinnigheidseis in de toelichting beperkt zich tot de constatering dat het van belang is dat er geen onduidelijkheid ontstaat over de vraag of de aannemer aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan. Betwijfeld kan worden of deze bepaling ervoor zal zorgen dat er in de toekomst geen onduidelijkheid zal bestaan. Zonder dat hier verder uit te werken, wordt in dit verband verwezen naar de jurisprudentie die is gevormd over de ondubbelzinnige stuitingsmededeling (art. 3:317 lid 1, zie daarover S.J.H. Rutten, Praktijkboek verjarings- en vervaltermijnen in de bouw¸ Den Haag: IBR 2014, par. 1.2.5.2). 
 
Na de schriftelijkheidseis en ondubbelzinnigheidseis gaat het tekstvoorstel verder met de zinsnede dat de aannemer de opdrachtgever tijdig wijst ‘op de mogelijke gevolgen voor de deugdelijke nakoming van de overeenkomst’. Het is onduidelijk wat hiermee wordt bedoeld. Uitgaande van de situatie dat het ontwerp afkomstig is van de opdrachtgever (of de door hem ingeschakelde architect), rust in de relatie tussen opdrachtgever en aannemer de ontwerpverantwoordelijkheid op de opdrachtgever en rust op de aannemer een waarschuwingsplicht ten aanzien van onjuistheden in het ontwerp die hij kent of redelijkerwijs behoort te kennen. In beginsel geldt dat de aannemer de overeenkomst deugdelijk nakomt, indien hij bouwt overeenkomstig het ontwerp en waarschuwt wanneer hij daartoe verplicht is. (Rechtspraak over gevaarlijke situaties waarin de aannemer zich dient terug te trekken, wordt hier buiten beschouwing gelaten.) Het is dan aan de opdrachtgever om wel of niet iets te doen met de waarschuwing en er valt voor wat betreft de deugdelijke nakoming van de overeenkomst nergens meer op te wijzen in aanvulling op de waarschuwing. De toelichting biedt geen duidelijkheid over wat op dit punt van de aannemer verwacht wordt, nu daarin stellingen staan over door de aannemer te ondernemen acties die juridisch zeer betwistbaar zijn (er staat o.a. letterlijk het volgende: “Als de opdrachtgever de schriftelijke waarschuwing van de aannemer niet wil respecteren doet de aannemer er verstandig aan de (aanvullende) opdracht te weigeren op straffe dat hij alsnog aansprakelijk kan worden gesteld voor gebreken.”) en die bovendien – ook met goede wil – op geen enkele manier in het tekstvoorstel gelezen kunnen worden, zoals het (aandringen op het) maken van nadere afspraken over aansprakelijkheid (zelfs in de inschrijving op een aanbesteding) en het in de precontractuele fase met alle expertise doorspitten van het ontwerp op fouten. 
 
De tweede volzin van het tekstvoorstel kent de bepaling een dwingendrechtelijk karakter toe: van het voorgestelde lid 2 kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken, voor zover de opdrachtgever een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De huidige bepaling van art. 7:754 BW (in het amendement lid 1), waar in lid 2 naar wordt verwezen is echter niet van dwingend recht. Ook op dit punt roept het amendement vragen op die in de toelichting niet beantwoord worden.
 
De conclusie is dat het amendement veel vragen oproept en dat de toelichting geen deugdelijke onderbouwing bevat en geen bruikbare aanknopingspunten biedt voor de uitleg van de bepaling.
 
Amendement nr. 17
Met amendement 17 wordt voorgesteld een bepaling in titel 7.12 afdeling 1 op te nemen over een zogenaamd opleverdossier:
757a
In geval van aanneming van een bouwwerk legt de aannemer bij de kennisgeving dat het werk klaar is om te worden opgeleverd, bedoeld in artikel 758 lid 1, een dossier aan de opdrachtgever over met betrekking tot het tot stand gebrachte bouwwerk. Het dossier bevat gegevens en bescheiden die volledig inzicht geven in de nakoming van de overeenkomst door de aannemer en de te dien aanzien uitgevoerde werkzaamheden en bevat in ieder geval: 
a) tekeningen en berekeningen betreffende het tot stand gebrachte bouwwerk en de bijbehorende installaties, en een beschrijving van de toegepaste materialen en installaties, alsmede de gebruiksfuncties van het bouwwerk; 
b) gegevens en bescheiden die nodig zijn voor gebruik en onderhoud van het bouwwerk.
 
Deze bepaling schrijft voor dat een opleverdossier wordt overgelegd dat een volledig inzicht verschaft in de nakoming van de overeenkomst en de te dien aanzien uitgevoerde werkzaamheden. Hiermee lijkt te worden bepaald dat van alle verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst door middel van ‘gegevens en bescheiden’ moet worden aangetoond dat ze zijn nagekomen. Anders is er immers geen volledig inzicht in de nakoming. Een aannemingsovereenkomst bevat vaak veel (administratieve) verplichtingen waarvan sterk betwijfeld kan worden of de opdrachtgever die allemaal in een dossier terug wil zien. En wat is een volledig inzicht in de uitgevoerde werkzaamheden? Dient de wijze waarop werkzaamheden zijn uitgevoerd te worden beschreven, of hoeven de werkzaamheden alleen genoemd te worden? 
 
Terzijde wordt hier opgemerkt dat er ook verplichtingen in de aannemingsovereenkomst kunnen zijn opgenomen, die onmogelijk voor de aankondiging van de oplevering kunnen worden nagekomen, zoals de verplichtingen in de onderhoudstermijn. In die zin kan een volledig inzicht in de nakoming van de overeenkomst dus niet geboden worden voorafgaand aan de oplevering. 
 
Het tekstvoorstel noemt vervolgens een aantal gegevens en bescheiden die in ieder geval in het dossier moeten worden opgenomen. Los van het feit dat deze gegevens en bescheiden nogal breed omschreven zijn in de bepaling (een beschrijving van de toegepaste materialen kan er op heel verschillende wijzen uitzien) gaat het bij de dossiervorming in een aantal gevallen om ontwerpgerelateerde bescheiden, zoals tekeningen, berekeningen en beschrijvingen van gebruiksfuncties. Moet de aannemer hier de ontwerpdocumenten die hij (in geval van een traditioneel bouwmodel) van de opdrachtgever gekregen heeft weer teruggeven? Ook is de vraag of een consument nu geholpen is met zoveel gedetailleerde informatie, want wat gaat hij doen met de wetenschap van de onderliggende berekeningen? 
 
Het amendement heeft betrekking op alle aanneming van bouwwerken, dus ook op verbouwingen en in nevenaanneming of onderaanneming uitgevoerde bouwwerkzaamheden. Bij de indiening van het amendement lijkt niet goed doordacht hoe in alle verschillende situaties invulling dient te worden gegeven aan het opleverdossier. Hoe werkt de bepaling bijvoorbeeld in het geval dat een nevenaannemer een vloer heeft gelegd. Moet deze aannemer dan berekeningen en tekeningen gaan produceren over de vloer? En hoe moet hij de gebruiksfunctie omschrijven? Of is bij een dergelijke opdracht geen sprake van een bouwwerk in de zin van deze bepaling? En wanneer dan wel? De toelichting op amendement 17 biedt voor deze vragen geen enkel aanknopingspunt. Uit de toelichting op amendement nr. 15 (zowel nr. 15 als nr. 17 is ingediend door kamerlid De Vries) lijkt te kunnen worden opgemaakt dat de indiener van de amendementen in ieder geval in de context van de waarschuwingsplicht het leggen van een vloer als ‘aanneming van bouwwerken’ ziet en het ligt niet voor de hand het begrip ‘bouwwerk’ in de verschillende bepalingen van Titel 7.12 verschillend te interpreteren.
 
De toelichting op amendement 17 vermeldt wel dat het opleverdossier uit twee delen bestaat: a) een consumentendeel waarin de aannemer verklaart en aantoont dat hij het bouwwerk volgens regels van goed en deugdelijk werk heeft gemaakt en b) een opleveringsdeel waarin de aannemer verklaart en aantoont dat hij aan de wettelijke regels en prestatie-eisen heeft voldaan. Een dergelijke onderverdeling blijkt echter niet uit het tekstvoorstel en de aannemer is onder dit tekstvoorstel dan ook niet verplicht om een dossier volgens deze onderverdeling aan te leveren. 
 
Voor wat betreft de onderbouwing van dit nieuwe BW-artikel volstaat de toelichting met de mededeling dat het een wens is van consumentenorganisaties en dat niet nader genoemde marktpartijen er voorstander van zijn. Het moge zo zijn dat die partijen een voorstander zijn, en wellicht zijn ze dat op goede gronden, maar de enkele constatering dat bepaalde partijen ergens voorstander van zijn levert geen inhoudelijke motivering op voor de introductie van een geheel nieuwe BW-bepaling. De toelichting schiet ook op dit punt tekort. Bovendien roept de motivering die wel gegeven is (de wens van consumentenorganisaties) de vraag op waarom de bepaling dan niet beperkt is gebleven tot aannemingsovereenkomsten met consumenten, bijvoorbeeld door deze in afdeling 2 van titel 7.12 te plaatsen.
 
Ook ten aanzien van dit amendement is de conclusie is dat het veel vragen oproept en dat de toelichting geen deugdelijke onderbouwing bevat en geen bruikbare aanknopingspunten biedt voor de uitleg van de bepaling.
 
Tot slot
De langdurige voorbereiding van de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen vormt een schril contrast met de gang van zaken rond de hierboven besproken amendementen. Ze zijn op 14 februari ingediend, op 16 februari zeer kort besproken en er wordt op 21 februari al over gestemd. Deze gang van zaken betekent dat als de amendementen worden aangenomen, de bouw(rechts)praktijk het voor wat betreft de parlementaire geschiedenis in de Tweede Kamer moet doen met de (warrige) toelichting op de amendementen en met de handelingen van de vergadering op 16 februari. In het licht van het bovenstaande is dat op zijn minst problematisch te noemen. 
Mr. H.P.C.W. Strang

Bron: Instituut voor Bouwrecht

Brondatum: 20-02-2017